Een woensdagmiddag met veertien graden, bewolkt en vroeg in het voorjaar. In blauwe sportbroeken en witte T-shirts liepen we met klas 3 van het vwo richting veld 7. Door de Wegedoorn naar de Grote Bosweg. Een straat met grote huizen, waaronder dat van rector Raaijmakers.
Toen we bij het sportveld aankwamen, wachtte meneer Glaudemans ons op. Een sportleraar met een reputatie. Driftig bij tijd en wijle, maar bovenal “rechts door zee”. Met de alto’s, de leerlingen die zich met lange haren, zwarte kleren en alternatieve muziek afzetten tegen de gevestigde orde, had hij weinig op. Hij bulderde dan cynische verwensingen en probeerde zo alles en iedereen op scherp te zetten.
Die middag had hij een verrassing in petto: twaalf minuten hardlopen op een uitgezet parcours van oranje pionnen. Onze klas startte traag en sjokkend. Ik had die dag wel de geest en ging langzaam maar zeker het tempo verhogen, totdat ik goed en wel een halve ronde voorsprong had op de groep. Glaudemans stond op een van de hoeken mij aan te moedigen: ‘Hou ze maar op afstand!’ Achter mij spoorde hij de volgers aan mij in te halen.
Ik keek achterom en moest versnellen. Onderwijl riep Glaudemans de minuten af: ‘Nog vier minuten, Sven, hou vol.’ Achter mij schreeuwde hij naar de achtervolgers: ‘Dat gaat jullie nooit lukken!’ En zo stak hij de hele boel in de fik. De groep kwam dichterbij, maar ik perste er nog een versnelling uit. Mijn hoofd spatte zowat uit elkaar en mijn hartslag ging in het rood. De volgers gaven het in de laatste ronde op en ik… ik kwam uitgeput over de finish.
Glaudemans feliciteerde me bescheiden. Hij zei: ‘Doe de rest van de les maar rustig aan, jongen.’ Twee maanden later was ik in de lerarenvergadering een bespreekgeval voor de overgang naar vwo 4. Glaudemans nam het voor me op tegenover zijn collega-docenten: ‘Die jongen heeft godverdomme wel doorzettingsvermogen,’ waren zijn woorden. En ik…? Ik koos voor havo 4.