Honderdzevenenzestig kilometer

Aan de Jan van Nassauweg 12 in Giethoorn zei Lucas Cordes, mijn grootvader, op zondag tegen zijn kinderen: ‘Ik ga over Gods akkers lopen.’ De pastoor moest het vanaf dat moment zonder hem doen. Hij voegde de daad bij het woord en verdween via de achterdeur uit de grote boerderij.

De boerderij en het land waren toebedeeld aan hem en zijn tweelingbroer Peet. Na de drooglegging van de polder Giethoorn. Dit verliep dramatisch voor de oorspronkelijke bewoners. De rietteelt en visserij liepen snel terug. Als gevolg hiervan verloren ook de ‘punters’, de karakteristieke platte boten, hun lading. Alsof de ellende nog niet groot genoeg was, verloren de scheepswerven ook nog hun werk. De inpoldering zorgde voor een tweedeling in de gemeenschap. Aan de ene kant de oorspronkelijke bewoners die niet profiteerden van de inpoldering en aan de andere kant de pachtboeren. Voor de nieuwe boerderijen en grond werden landbouwers van elders aangetrokken. Zo ook Lucas en Peet Cordes en buurman Winter.

Op zondag liep hij het erf af en nam de middenweg tussen het omgeploegde land richting de overblijfselen van de eendenkooi Noorderribben. Na de inpoldering werd de kooi een geriefhoutbosje. Een klein bos met hout voor kachel, gereedschap, hekken en bezems.

Maar ook een prachtige schuilplaats voor de dieren. Die hen zo kon behoeden voor de jaarlijkse dosis DDT, die in die tijd nog over het land werd gesproeid.

Vanaf dat moment was deze wandeling het wekelijkse ritueel op zondag en werd ook mijn moeder vrijgemaakt van God en zijn zoon.

Honderdzevenenzestig kilometer verderop voltrok zich op de Soestdijksekade in Den Haag geen verlichtend wonder. De fles jenever werd zondagmiddag, na het woord van de dominee in de kerkdienst, thuis geopend. De kaarten werden geschud en het klaverjassen begon aan de uitschuifbare tafel in de salon. Op zijn Rotterdams, troeven was geen keuze maar een verplichting.

Machiel van Egmond was handelaar in groenten. Samen met zijn broer Gerrit reed hij op jonge leeftijd al met paard en wagen de groenten van het land in Rijnsburg naar de handel. Het was dikwijls zo vroeg dat ze in slaap vielen op de bok. Het paard waakte echter over de zonen en liep op eigen houtje de weg.

Van de teelt naar de handel samen met zijn broer in een eigen bedrijf. Het paard werd met een garantstelling van hun vader ingeruild voor een vrachtwagen. En de markt in Den Haag werd de nieuwe bestemming in de vroege ochtend. Aansluitend door naar de veiling. Lange dagen en hard werken. Vader zei opvoedend tegen zijn kinderen: ‘Jullie hebben geen flauw benul wat werken is.’

In de Tweede Wereldoorlog dook hij onder in de kruipruimte van zijn huis om de Arbeitseinsatz te ontlopen. Zijn kinderen Henk, Chris, Piet en Geertje wisten van niets. Het risico was te groot dat ze onbedoeld informatie zouden geven aan de bezetter. Maria van Egmond gaf dagelijks eten aan haar man. Hiervoor liet ze een bord aan een touwtje zakken in een kast die uitkwam in de kruipruimte. Uiteindelijk bood hij zich aan voor de voedseldistributie en reed dagelijks met groenten op de bagagedrager van zijn fiets door Den Haag.

Henk mocht van geluk spreken dat hij nog onderdeel van het gezin was. In 1947 kreeg hij na een wekenlange ziekenhuisopname uiteindelijk dan toch tabletten penicilline. De ontsteking in de voet van Henk, na een roestige spijker, verdween en hij knapte onmiddellijk op. Machiel van Egmond was duidelijk en eerlijk tegen zijn zoon. ‘Je mag van mij iedere droom najagen in je leven, maar doe me één plezier, ga niet de groentehandel in.’