Karton in de spaken

De basis voor het crossfietsen werd gelegd in de slootjes parallel aan het Eikenlaantje. Dit laantje vormde vroeger de verbinding tussen de Strabrechtse Heide en de in 1869 gebouwde boerderij ’t Goor. Deze boerderij werd gebouwd voor de textielfabrikant P.C.M. van den Heuvel, destijds dikke maatjes met Hubertus Paulus Hoevenaar, de eigenaar van het kasteel in Geldrop. Vermoedelijk hadden die twee een onderonsje gehad, want de boerderij diende ook als jachtverblijf.

De sloten langs de weilanden van de boerderij waren perfect om in te fietsen. Kuipbochten vormden na verloop van tijd de overgang op de hoeken waar de sloten bij elkaar kwamen. Wij fietsten hier op oude barrels. Van stukjes golfkarton, met knijpers aan de wielen bevestigd, maakten we een beleving van geluid.

Met Pa had ik in die tijd lang gewerkt aan mijn ideale crossfiets. Henk was vroeger hulp bij de fietsenmaker in Den Haag geweest en had zo de fijne kneepjes van het vak geleerd. Het was een kinderfiets, ontdaan van alle overbodige onderdelen om gewicht te besparen en ten slotte met zilveren lak uit een spuitbus overgespoten. Het resultaat mocht er zijn; ik was zo trots als een pauw.

In dezelfde periode ontdekte mijn broer aan de Carpinistraat een crossbaan die zijn weerga niet kende. Heuvels van zand vormden de perfecte afzetmogelijkheid voor het maken van sprongen. Hij speelde daar met zijn klasgenoot Rick van Wijngaarden, een jongen met een ongekende bravoure die veel indruk op mij maakte. Thom en Rick waren voor mij en mijn fiets de ultieme beproeving.

Rick kwam naar ons huis aan de Bosrand en bewonderde het werk van mij en mijn vader. Vol trots fietste ik achter Rick en Thom aan richting de basisschool, door de Jan Carstenszweg, met de bocht mee naar de laatste flat. Daarachter lag, verscholen onder eikenbomen, de crossbaan. Mijn droom werd werkelijkheid. Ik sneed bocht na bocht scherp aan en manoeuvreerde behendig over de baan. Na een tijdje vroeg Rick of hij even op mijn fiets mocht. De atletische Rick wachtte met grote ogen op mijn antwoord. Uiteraard zei ik volmondig: „Ja!”

Rick stapte op en maakte direct vaart op het parcours. Onderweg naar de hoogste bult zag ik zijn verbeten gezicht. Ik was onder de indruk van zijn fysieke kracht. Met een machtige sprong zweefde hij Thom en mij voorbij. Maar toen hij landde, sloeg het noodlot toe. Het frame brak volledig doormidden — evenals mijn gemoedstoestand.

Het geluk maakte plaats voor diep verdriet. Weg droom, weg fiets. Thuis aangekomen stelde Pa me gerust: „Oom Otto zal hem wel voor je lassen, vriend.” Zo leerde ik voor het eerst de kunst van hoop en verdriet. De fiets verdween uiteindelijk langzaam uit beeld, en het leven ging door.