Docent sociologie Raaijmakers vroeg na afloop van zijn college of ik nog even een moment had.
Ik was inmiddels twee jaar aan het studeren aan de HTS in Eindhoven. Zonder concreet doel of vooropgezet plan was ik vanuit de middelbare school hierin gerold. Mijn vader nam me mee naar een open dag en vond het vooral leuk voor zichzelf. Hij zei dat oprecht en bedoelde dit zeker niet als motiverende steun in de rug. Mijn klasgenoten waren dat overwegend wel. Ik was veruit de jongste, maar ook zeker een van de studenten die niet belemmerd werden door een uitgestippeld pad. De HTS voelde als een voortzetting van de middelbare school. Zo min mogelijk doen en datgene wat mijn aandacht trok, werd geabsorbeerd.
Zijn kamer was een typische docentenkamer met uitzondering van de stoelen. Luxe fauteuils die me de indruk gaven dat ik hier nog wel even zou zitten. Gustav, zoals we hem mochten noemen, stond naar eigen zeggen in verbinding met het hogere in de hemel en op aarde. Paranormale krachten die hij zichzelf had toebedeeld. Omdat hij ook wel humor had, nam niemand hem dit kwalijk. Hij doceerde ons sociologie en psychologie. Veel stak ik er niet van op. Maar ik begreep, als een van de weinige studenten, het wel.
Die ochtend wilde hij over mij praten. Simpelweg kwam het erop neer dat hij mij in de categorie “bijzonder” plaatste. Hij zag verschillende rusteloze eigenschappen in mijn karakter die hem een raar gevoel gaven. Zijn slotconclusie was: misschien ben je wel in hoge mate intelligent. Dat moment was beslissend voor mijn zelfvertrouwen. Zonder dat Gustav het wist, had hij een einde gemaakt aan mijn onzekerheid en een stuk van de onrust weggenomen. Ik gaf hem een hand en liep, in tegenstelling tot die ochtend, iets rechter zijn kamer uit.