Thee met meneer Botje

Een zondagochtend in november, acht uur en een grijze lucht. Er was op dit uur nog niemand in de Bosrand te bekennen, dus liep ik maar even door naar het grote grasveld tussen onze straat en het Eikenlaantje. Het was een statige laan vol bomen, vermoedelijk ooit aangelegd bij de bouw van de boerderij als grootse entree voor meneer Van den Heuvel. ‘Als je niet van adel bent, wil je je op z’n minst wel zo voelen’, zal de gedachte destijds zijn geweest.

Lopend door de straat keek ik aandachtig in het rond en gluurde naar binnen bij de huizen. Links woonde Peter Muller, rechts Mireille van Beekveld. Mireille speelde altijd met ons mee; we zagen haar niet als meisje, maar als one of the guys. Dan had je Chris Ummels aan de linkerkant en de broers Jeroen en Dicky van Lankveld op rechts. Paul van Waalwijk sloot de rij. Geen van deze huizen toonde ook maar enig teken van leven.

Ik stond er dus alleen voor, al duurde dat in die jaren nooit lang. De verschijning van het eerste kind op straat diende steevast als startschot voor de rest om zich aan te kleden en naar buiten te rennen. De straat, het enorme grasveld en het aangrenzende bos vormden ons walhalla. We speelden áltijd buiten. Afspraken waren, net als regels, ongeschreven.

Ouders vormden doorgaans de enige belemmering, maar ons pa en ma niet. Mijn broer noemde dat op latere leeftijd dankbaar ‘vrijheid’; zelf beschrijf ik het eerder als een gevolg van het geluk dat mijn ouders zelf ervoeren.

Het einde van de straat kwam in zicht. Het grasveld werd van de weg gescheiden door een perkje dat direct grensde aan de woning van meneer en mevrouw Botje. Meneer Botje was een trotse ondernemer en het huis paste daar perfect bij. Een groot en wijds uitzicht op het laantje met bomen die nimmer bewogen, maar er altijd waren. Rondom dat perkje stonden houten paaltjes, met elkaar verbonden door een dikke ijzerdraad. Ik balanceerde er graag op en wiebelde er vrolijk op los. Een bijkomend voordeel was het geluid: een hoge, snerpende piep die zelfs de vogels het bos in joeg. Het was bedoeld als lokroep voor mijn vrienden, maar het sorteerde onverwacht een heel ander effect. Door het grote, gordijnloze raam zag ik hoe meneer Botje vanachter zijn krant over zijn leesbril naar me keek. Ik verstoorde overduidelijk zijn ochtendritueel. Onze behoeften lagen die ochtend ver uit elkaar: hij zocht rust, ik actie.

Vanuit mijn ooghoek zag ik hem opstaan. Hoewel hij absoluut niet te boek stond als een norse man, was ik toch op mijn hoede. In zijn ochtendjas en op pantoffels liep hij de oprit af en kwam mijn kant op. Verbaasd zette ik me schrap voor wat komen ging. Hij stopte vlak voor me en vroeg rustig: ‘Heb je zin in een kopje thee, jongen?’

Ik knikte ja en volgde hem naar binnen. Even later zat ik aan zijn ovale eetkamertafel en dronk ik thee met melk en suiker. Terwijl ik door het grote raam naar de boerderij keek, wisselden we nog geen zes woorden met elkaar. Ik genoot in stilte van het uitzicht. En meneer Botje? Die had zijn zondagochtend weer terug.