Op de Jan van Nassauweg 12 in Giethoorn zei Lucas Cordes, mijn grootvader, op de zondag voor Pasen tegen zijn kinderen: “Ik ga over Gods akkers lopen.” De pastoor moest het vanaf dat moment zonder hem doen. Hij voegde de daad bij het woord en verdween via de achterdeur uit de grote boerderij.

Vanaf het erf nam hij het pad tussen het omgeploegde land richting de eendenkooi. In deze biotoop verschuilen eenden, reeën, hazen en een verdwaalde vos zich jaarlijks voor de DDT die de aardappelen behoedde voor rot. Vanaf dat moment werd dit het wekelijkse ritueel en werd ook mijn moeder vrijgemaakt van God en zijn zoon.

Honderdzevenenzestig kilometer verderop voltrok zich aan de Nassaukade in Den Haag geen verlichtend wonder. De fles jenever werd zondagochtend om 11:00 uur geopend. De kaarten werden geschud en het klaverjassen begon aan de uitschuifbare tafel in de salon.

Op zijn Rotterdams; troeven was een verplichting. Het leven in de stad was gehard door de Tweede Wereldoorlog en de in- en verkoop van groenten. De alcohol en het spel boden een welkome afleiding voor Machiel van Egmond, vader van Henk, Chris, Piet en Geertje.

Henk mocht van geluk spreken dat hij op zondag zijn vader nog af en toe uit het café kon halen. In 1946 kreeg hij, na een wekenlange ziekenhuisopname in het sanatorium van Scheveningen, uiteindelijk dan toch tabletten penicilline. Zo konden jaren later zijn ingedaalde ballen hun eerste werk doen in de puberteit.